zoekt, roept juffrouw Van Bever van de tweede verdieping naar boven waar het te vinden is. Juffrouw Van Bever is de rijke vrouw van de steeg. Haar man heeft vroeger veel geld verdiend, maar naijverig hoeft niemand op haar te zijn: de goeie meneer Van Bever zit in Gelderland in een gesticht, waar hij zich verbeeldt, dat hij keizer Napoleon de Derde is en dat juffrouw Van Bever Eugenie heet, ofschoon haar naam gewoon Mijntje is. Volgens haar zijn er in Amerika professoren, die hem helemaal beter kunnen maken, maar voor zo'n kuur heeft ze geen geld genoeg en daarom leef ik zuinig en goedkoop (zegt ze). 'Ik hoop, dat mijn zoon Jokof nog eens in de dikke verdiensten komt.' Die Jokof is boekhouder, hij woont ergens achter de Ceintuurbaan met een vrouw en een kind. Zegt juffrouw Van Bever smalend: ׳Een vrij huwelijk.' Moppert grootmoeder: 'Hij heeft een vrouw... hij heeft een kind ... wat kan daar nou nog vrij aan zijn?' In de voorkamer van juffrouw Van Bever staat tussen de ramen in een hoge ijzeren kast, haar brandkast en tegelijkertijd haar nachtmerrie. Ze is kinderlijk bang voor dieven.
Eén hoog wonen de zusjes, waar wat vreemds mee aan de hand is, want ze slapen overdag en tegen de schemering gaan ze kuieren met hoge kaplaarsjes en witte parasolletjes, ze heten Sientje en Dientje de Zon.
Zegt grootmoeder: 'Ze konden beter de Maan heten.' Ze zijn een regelrecht schandaal voor de trap. Ze hebben samen één vriend, die meestal op vrijdagmiddag op bezoek komt en bhjft logeren tot maandagmorgen vroeg. De banketbakker, de kruidenier, de slager, de poelier en de herberg, waar ze altijd per maatje kopen, hebben een goede klant aan die drie. In het benedenhuis heeft Jonas Slap zijn scheersalon, waar de mannen elkaar het laatste nieuws van de zusjes vertellen en als ze niet precies weten wat er één hoog gebeurt, nou, dan verzinnen ze wat er gebeurd kan zijn en dan kun je op straat het gelach horen.
132