spion. Ik had in mijn eentje een complete persoonlijkheid opgebouwd. Naam. Adres. Geboortedatum. Dat was eenvoudig genoeg. Maar ik moest er een hele familie bij verzinnen met duizenderlei bijzonderheden. Dan ging Jos me ondervragen. Hij probeerde me te vangen op tegenstrijdigheden. Het was een intellectueel gevecht, al waren we jongens, een strijd van man tegen man.
Op een keer, toen we ondervragertje speelden en hij 't van mij niet had kunnen winnen, zei hij: 'Als je zwijgt, zal ik je vertellen, datje niet een kind bent van je vader en moeder.' 't Gekke was, dat dat wat die jongen vertelde me in 't geheel niet ongeloofwaardig leek. Integendeel. Zoals in een kaleidoscoop de stukjes eerst kris kras door elkaar liggen, en dan vormen ze opeens een gaaf patroon, zo pasten stukjes en brokjes van gesprekken die ik had opgevangen, indrukken en vage vermoedens, op elkaar.
De rest verliep heel onromantisch. Ik zei thuis, dat ik wilde weten wat er met mij aan de hand was. En mijn pleegouders vertelden het me. Doodgewoon. De brave mensen waren, geloof ik, achteraf dolgelukkig, dat ik er zelf over was begonnen. Ze speelden geen seconde kiekeboe. Voorzichtig vertelden ze me van mijn verdwenen vader en hoe mijn moeder bij hén was gekomen om hulp. Nou en toen zeiden ze, dat ik mijn moeder moest gaan opzoeken. Dat heb ik gedaan. Dat is "in heel korte trekken" mijn verhaal.'
David treft mij als een onmiskenbare Joodse jongen, al laboreert hij aan een ongeneeslijk Limburgs dialect. Tijdens onze ontmoetingen spreekt hij niet slechts met grote genegenheid over zijn pleegouders, maar ook over de kleine mensengemeenschap in de buurt van Heerlen waar hij heeft gewoond. Maar (laat David tegenover mij niet onduidelijk doorschemeren), toen hij éénmaal wist dat hij van Joodse afkomst was, boezemden alle berichten in de kranten en in de radio, die over Jo-
126