Riekie vertelt me dat zij kennis heeft aan een man, Tobi Nikols-berg; zij houdt erg veel van hem.
'Hij heeft in een experimenteerkamp in Duitsland gezeten en daar hebben de cultuurdragers hem gesteriliseerd, tegelijk met nog een paar honderd andere Joodse mannen.' 'De wetenschap zal er wel op vooruitgegaan zijn en het aantal ongelukkige mannen ook.'
Riekie en deze Tobi hebben meerdere malen over een huwelijk gesproken, maar met het karakteristieke gebrek aan zelfvertrouwen van de mensen, die de experimenteerkampen hebben overleefd, durft hij de verantwoordelijkheid niet aan. Alle gesprekken over een mogelijk huwelijk eindigen altijd met de woorden: 'Een man die een vrouw niet gelukkig kan maken met het bezit van kinderen, moet uit de buurt van het stadhuis blijven.'
Als zij nu eens, (zo heeft Riekie zich afgevraagd) haar eigen zoon uit Heerlen weghaalt, zal Tobi dan zijn zelfvertrouwen terugwinnen en zullen zij met hun drietjes dan samen een gelukkig gezin kunnen vormen? Op deze vragen heeft Tobi bevestigend geantwoord, maar hij heeft tegelijkertijd verondersteld, dat die pleegouders David toch niet zullen loslaten. Er zijn meer zulke gevallen bekend; de kranten staan vol met artikelen over Joodse pleegkinderen, die na de oorlog niet aan de familie werden teruggegeven.
Kordate Riekie handelt als in 1933, toen iedereen nog uitvoerig praatte over de mogelijkheid om misschien Duitse vluchtelingen te redden en zij ze op haar eigen houtje al bij tientallen over de grens bracht. Laat de kranten maar schrijven, zij reist naar Heerlen en heeft een gesprek met de pleegouders. Zij heeft een uur gekozen dat David naar school zal zijn. Zij wordt vriendelijk te woord gestaan, maar wanneer zij haar verlangen kenbaar maakt, krijgt zij een beslist 'neen' ten antwoord. Zij heeft geen rechten meer, zij heeft immers verklaringen getekend; David staat onder het beschermende toezicht van allerlei wettelijke instanties, in
117