'Je weet toch wel, Izakkie, die driemaal de zwiepsteek heeft gewonnen... die is stapelgek geworden. Telkens als hij op straat een paard ziet, neemt hij zijn hoed af.' Jókefie, de oplichter, was een onbetekenende leerkracht aan een volstrekt onbelangrijk schooltje; hij was een jaar of twintig, toen de goudkoorts hem in de lurven greep. Psychiaters moeten maar uitzoeken wat deze knaap bewoog, toen hij systematisch dag-in-dag-uit het verhaal begon rond te strooien, dat hij, Jókefie, de Ierse zwiep had gewonnen. .. 'maar spreek er met niemand over, want dan heb ik geen rust meer, iedereen wil dan van me lenen.' Toen hij dit verhaal een paar weken lang in het diepst vertrouwen had rondgebazuind, vond Jókefie inderdaad geen rust meer. Niet, dat de mensen bij hém wilden borgen, nee, het was precies omgekeerd: iedereen wilde hém geld lenen. Iedereen wilde met hem zaken doen, zich warmen aan zijn onmetelijk vermogen. Een te goeder naam en faam bekend staand man leende hem dertigduizend gulden ... dat was geen kleinigheid in die dagen. Jókefie kocht een auto; en de buurt raakte niet uitgepraat over de schoonheid van dat stinkende wonder. De mensen in de buurt beschikten over het vermogen zonder enige oorzaak van buitenaf, een realiteit volstrekt oprecht te beleven, die slechts haar bestaan vond in hun eigen verbeelding. Met Jókefie, de bizar-rijke als middelpunt, begon een schijnwereld op te bloeien. In sommige Franse kluchtspelen verzint de auteur soms een situatie, waarin de arme slokkers krijgen wat ze willen, eenvoudig omdat niemand kan geloven, dat ze van de hand in de tand moeten leven. Maar wat zich in die buurten tussen Waag en
47