den. Hun privacy bestond in een klein huisje, waar ze sliepen en, als ze het wilden, 's avonds een boek of een krant konden lezen. Ze aten in de gemeenschapszaal, samen met ruim honderd andere leden van de kibboets. 'Reusachtig gezellig,' zei Wolf, 'al dat aparte eten in aparte huisjes aan aparte tafeltjes en van aparte bordjes - dat is typisch europees. Hier voelt een mens zich deel van een gemeenschap. De kibboets is onze sociale zekerheid.' Ik vond, dat zijn bewegingen langzamer waren geworden, rustiger.
'Wat is je werk in de kibboets?'
'Schaapherder.'
'Nee...' weerde ik af.
'Ja, schaapherder. Het mooiste vak, dat er in de wereld bestaat. Hoeveel maal heb ik de uitdrukking gelezen: hij was als een herder voor zijn schapen. Nu ken ik pas de wereld van grote rijkdom, die in deze woorden verborgen is.' 'Je dweept als een puber.' 'Ga morgenochtend maar eens mee.'
We lagen tegen de glooiing van een heuvel en keken uit over de wijde vlakte van Jizreël. De lucht was zoet als honing. Veelkleurig waren de flanken der lage bergen. De schapen graasden, zoals die beesten altijd hebben gedaan sinds Noach ze uit de ark losliet. Wolf zei, dat deze dag zou zijn zoals al zijn andere dagen in Israël. Een kudde om er de verantwoordelijkheid voor te dragen. Levende wezens, die zijn zorg en waakzaamheid nodig hadden. 'Ik lees veel, tegenwoordig. Voornamelijk filosofie. Je verliest hier het acute gevoel, dat je de beker van het leven haastig moet leegdrinken.'
201