Een of twee maal per jaar kregen de oude vrienden een brief van hen, zo'n nietszeggend snoertje woorden, hoe gaat het er mee, bij ons gaat alles goed en we hopen van jullie hetzelfde te vernemen. Zo'n brief, die niet verraadt wat er bij de schrijver omgaat.
Na een paar jaar kwam Mirjam op visite in Nederland. Oh, niet om er te blijven, stel je voor. Ik vond haar niet zo veel veranderd. Een beetje rode kleur had ze, dat is waar. Hoge bloeddruk, vertelde ze, waarschijnlijk een gevolg van de warmte.
'Het gaat ons best, Wolf en ik wonen in een kibboets. Onze zoon heeft zijn naam veranderd. Wie heet er nou Sacco? Hij heet nu Shimon, een mooie naam met veel inhoud. Hij woont in Tel Aviv.'
'Zou je naar Nederland terug willen?' vroeg ik, vrij tactloos.
Haar rode kleur werd dieper en er klonk een tikje boosheid in haar stem.
'Nee... ofschoon... ik geloof, dat ik een mens ben van twee werelden. Ik ben erg tevreden wanneer ik in Israël ben, ofschoon ik hier makkelijker zou leven. Maar als ik hier ben, voel ik, dat ik ginder toch iets mis.' Na enige aarzeling ging ze verder: 'Misschien zit er toch wel iets in de oude waarheid, dat het de taak van Israël is om als zuurdesem onder de volkeren te gaan.' En spottend beslootze: 'Magikmeeven voorstellen: Mirjam Zuur desem.' Toen ik in 1957 in Israël was, ben ik die twee gaan opzoeken, want een bezoek aan Het Land is niet slechts een toeristische daad, maar altijd tevens een doodgewone familievisite. Ze woonden nog steeds in de kibboets in het noor
202