grond; als men scherp keek, ontdekte men, dat het de oude
tegenstellingen waren. Wolf en Mirjam werden actieve
leden van het steeds groeiende leger van echt-nederlandse
mopperaars. Toen zei Wolf op zekere dag:
'Mirjam en ik hebben het grote besluit genomen. We gaan
wég. We gaan naar Israël.'
'Het is niet waar,' zei ik schertsend.
'Het is wel waar. Ik ben dit land zat.'
'Ben je Zionist geworden? jij?'
'Ik ben gebleven wat ik altijd ben geweest. Maar de hele rommel staat me tegen.'
'Beste Wolf, je bent nog niet over de ellende van de bezetting heen.'
'Misschien heb je gelijk. Ik heb na de bevrijding geen seconde meer gekend, dat ik me werkelijk gelukkig heb gevoeld. Hier in Nederland leef ik in een luchtledig. Er zijn zoveel van mijn familie verdwenen, zoveel kennissen zijn nooit teruggekeerd.'
'Wolf, heb jij wel eens gedacht, dat Mirjam en jij de grote onrust te pakken hebben. Iedereen wil reizen. Vijf jaar opsluiting zijn niet een-twee-drie weggewerkt.' 'Dat is het niet,' zei Mirjam, 'onze bevrijders waren wel echt, maar de bevrijding is een fabel.' 'Ik geloof,' zei Wolf, 'dat geen enkele jood na deze oorlog dezelfde is als voorheen. Niemand van ons is werkelijk bevrijd. We dragen de dood mee in ons hart, de getatoueerde nummers zijn onuitwisbaar op onze armen, en de littekens van de mishandelingen zullen nooit verdwijnen.' Ze trokken naar Israël. Wolf, Mirjam en de jongen, die Sacco heet.
201