Maar dat kón hij ook niet. Onder alle omstandigheden bleef hij een mens, die in de praktijk niet mee kon. Hij was hopeloos onhandig. In die maanden ontwikkelde zich bij hem, wat Mirjam noemde: een onhandigheid van de geest. Hij weigerde nooit een opdracht. Hij spande zich tot het uiterste in zo'n verantwoordelijkheid naar behoren af te werken. Maar al zijn zwoegen eindigde met teleurstellingen. Hij klaagde wel eens :
'Als mijn handen er helemaal niet aan te pas komen, heb ik toch het gevoel, dat elk werk me uit de handen valt.' Hij verschool zich nooit achter een uitvlucht, wanneer men hem vroeg een of andere taak op zich te nemen. Toch zou het hem gemakkelijk genoeg zijn geweest een of ander voorwendsel te verzinnen. Het mocht dan de schijn hebben, dat de Duitsers tegen de joden niet zo drastisch zouden optreden als was gevreesd, het was toch duidelijk, dat Wolf en Mirjam extra gevaar liepen, wanneer ze bij ondergronds werk op heterdaad zouden kunnen worden betrapt. De jood was altijd schuldig. Het was kenmerkend voor Wolf, dat hij zich ook in die tijd halsstarrig verzette om zich op enigerlei wijze 'apart' te laten behandelen. Als zijn vrienden er bij hem op aandrongen zich liever afzijdig te houden, juist omdat hij jood was, zei hij:
'Ik laat me ook niet door jullie in een geestelijk ghetto indelen. Jullie vijand is ook mijn vijand, het is onze vijand. Uitzonderingen ken ik niet.'
Toen later de Duitsers de zijden handschoentjes van hun beestenpoten trokken, en de onverzoenlijkste maatregelen tegen de joden afkondigden - toen de razzia's begonnen -de vechtpartijen - de beledigingen en de terreur - toen de
198