praatje bleek te zijn en niet het magische verdedigingsmiddel - toen de Maginotlinie bezweek en de grote generaal Gamelin niet meer was dan een stofje in een zondvloed.
Omtrent Mirjam's en Wolf's houding tijdens de bezetting stemmen alle verhalen overeen. Ze hebben zich kranig gehouden, die twee.
Nog voordat de Duitsers de schroeven tegen de joden aandraaiden, sloten Wolf en Mirjam zich aan bij een der eerste verzetsgroepen. Misschien wekt de term 'verzetsgroepen' een verkeerde indruk. Daadwerkelijk verzet, met de wapens in de vuist en dan niet bij wijze van zeggen - daarvoor was de bezetting nog te pril, en de geest der nederlandse bevolking nog niet ontvankelijk. Het groepje mensen, waarbij Wolf en Mirjam zich aansloten, praatte over weerstand en over de mogelijke duur van de oorlog. Ze zochten en tastten. De schemering was nog dik en ze wisten niet waar de weg lag, maar er moest een daad worden gesteld, dat was de zekerheid, die hen voortdreef. Toen in een van die eerste bijeenkomsten de onvermijdelijke vraag aan de orde kwam hoe de groep moest heten, zei Wolf simpelweg: 'Nee!'
'Hoe bedoel je?'
'Onze groep moet 'nee' heten, doodgewoon 'nee'. Dat is
het enige parool dat Nederland moet worden ingeprent.
Nee, nee en nog eens nee.'
'Maar dat is toch geen naam voor een groep.'
'Het is meer dan een naam. Het is een program. Nee!'
Een belangrijke rol heeft hij in dat groepje niet gespeeld.
197