'Ze zijn aan het ghetto ontvlucht. Aan het geestelijk ghetto, maar nu worden ze er weer in terug gesmeten. Om te ontsnappen zijn er twee nodig, eentje die ontsnapt en een, die laat ontsnappen.'
De frase van het geestelijke ghetto zat met duizend weerhaken in Wolf's hersens vast. Te lang had hij zich met dit dogma gevoed. Hij kon er niet meer zonder leven. Als hij Mirjam kwam opzoeken in het grote lokaal aan de Lijnbaansgracht waar de vluchtelingen werden verzameld, zat hij veel met de stakkers te praten. Na enkele minuten kwam die zin dan uit zijn mond. Het geestelijk ghetto. Zo dacht hij er nog steeds over. Maar hij sprak de woorden zonder overtuiging uit. Hij had dikwijls het gevoel, dat ze hun kracht en betekenis verloren hadden. Dat hij die woorden gebruikte als een automaat. In een van die gesprekken ving hij een uitspraak op, die hem sterk boeide: 'Der Feind macht uns zum Volke.'
Hij had deze zin nooit eerder gehoord. Van de rijkdom aan gedachten, die deze woorden verborgen, wist hij niets. Hij kende ook niet de geschiedenis van deze gedachtenwe-reld, en hij had nooit de behoefte gevoeld er kennis van te nemen. Maar de zin zelf boeide hem. De woorden gaven uitdrukking aan een onbestemd gevoel, dat hij, zonder het zelf goed te weten, al weken lang bij zich zelf had bespeurd. Voor de man, die de zin uitsprak lag de klemtoon op: Volk, voor Wolf evenwel viel het zwaarste accent op Feind. De afkeer van conventies en tradities, die hij, tot in het belachelijke, richtsnoer voor zijn leven had gemaakt, keerde hij nu tegen die vijand. De nazi's wilden iedere jood terugdringen in een verouderd jood-zijn. Terug naar
195