den blies hij op tot belachelijke proporties. Maar als je door dat vertoon heen keek, zag je een brave burgerman, op wie niemand kwaad kon worden.
Hun moderne huisje aan de rand van de stad bijvoorbeeld. Het lag in een geheel nieuwe wijk. Veel zandvlakten, veel weilanden, veel prille boompjes die in de vrieskou stonden te verkommeren, veel aanleg van plantsoenen, die misschien over twintig jaar zouden zijn wat de architect had gedroomd. Wijken en huizen waren een product van de tijd, toen Amsterdam nog naar hartelust kon bouwen. Het lag voor de hand, dat jonge mensen hun voorkeur voelden uitgaan naar zo'n nieuwerwets tuindorp. Ze hadden allebei een werkkring waarbij ze pas om negen uur bij de baas moesten zijn. Het sprak dus vanzelf, dat ze zo'n licht huis aan de rand huurden inplaats van een ouderwetse donkere woning in de binnenstad. Maar Wolf dramatiseerde die keus. Hij maakte van hun woning een sensatie. Hij en Mirjam hadden zich beslist voorgenomen 'uit het ghetto te ontsnappen'. Zo noemde hij het. Dat nieuwe huis was een symbool van die ontsnapping.
Een ghetto in Amsterdam. Met een muur er om heen? En een poort, die op het nachtslot kan? Waanzin! Zo'n ghetto heeft in de stad nooit bestaan. Nu ja, er is een buurt, die in overwegende mate door joden werd bewoond. Een ghetto in de letterlijke zin van het woord, is echter heel iets anders. Bovendien is het karakter van die stadswijk in de loop der jaren veranderd. Joden woonden in Zuid, en in West, aan de overkant van het IJ en in Oost. 'Dat ghetto van jou,' zei ik, 'is een typisch voorbeeld van jiddisje overdrijving.'
185