'Er is een geestelijk ghetto,' hield Wolf vol, 'daar wensen wij ons aan te ontworstelen.'
Die zin over dat geestelijke ghetto kwam me niet onbekend voor. Hij is ergens bij Heyermans te vinden. Ik wist zeker, dat Wolf hem daar had geleend. Wolf las niet veel boeken. Maar er waren een paar zinnen, die hij had opgepikt en die had hij gememoriseerd. Hij dreef op die tweede-handswaarheden als een slechte zwemmer op een stel kurken. Dat geestelijke ghetto was een van zijn dogma's. Hij overdreef de betekenis mateloos. In dat nieuwe huis van hen mocht niets aan het ghetto herinneren. Ze waren immers ontsnapt.
Omdat het leven wordt bestuurd door machten met zin voor humor, botste de theorie van de ontsnapping het eerst op de praktijk, juist toen Wolf en Mirjam gingen trouwen. Zijn familie en de hare hadden de toebereidselen voor het huwelijk met ongeveinsde belangstelling gadegeslagen. De oude lui spraken er nooit over, maar dat hoefde ook niet: iedereen begreep, dat ze keuze van meubilair en de kleuren van de stoffering rondweg belachelijk vonden. Maar ze waren verstandig. Ze zwegen. Jonge stelletjes hebben hun eigen smaak. Toen vroeg Wolf's moeder op een avond: 'Gaan jullie alleen op het stadhuis trouwen? Of ook in de synagoge?'
Dat was een vraag naar de bekende weg. De ouders van beide kanten konden weten, dat Wolf noch Mirjam de noodzaak van een kerkelijke inzegening gevoelden. Stel je zo iets belachelijks voor. Was er nu iets conventionelers te bedenken dan zo'n antieke chuppah met een traditionele rebbe en het bruidspaar gedwee volgend wat strenge regels
186