Toen de duitse laarzen over de Berlagebrug Amsterdam binnendreunden, doolde Izak door de straatjes van de oude joodse buurt.
'Ik zoek iets, en ik weet niet wat ik zoek. Dat heb ik mijn hele leven gedaan.'
Hij ontmoette slechts angstige mensen. In vele huizen waren de gordijnen neergelaten. Onheil hing over de stad en de mensen, een zware zwarte wolk. Hij zag de huizen met hun gesloten ogen en dacht:
'Ten dode opgeschreven, alles is ten dode opgeschreven.' Opeens stond hij voor het huis op het Waterlooplein, het huis waar hij als kind had gewoond... honderdduizend jaar geleden.
'Is 't dat wat ik zoek? Een beest keert terug tot het nest.' Hij stommelde het donkere portaal in, greep zich vast aan het vettige traptouw en klom naar boven. De wrakke trap. De kreunende treden. De geuren van het oude huis... alles komt terug, dacht hij. Gisteren is vandaag, en vandaag is morgen.
In het kamertje zit Avrom aan de tafel. Hij draagt het ijzeren brilletje op zijn gerimpeld voorhoofd. Als iedereen vergiftigde appelen eet, zal niemand zijn zinnen verliezen. Vranja bereddert iets in de keuken. Izak is een kind. Elke ochtend trippelt hij naar het schooltje om de hoek. Op woensdagmiddag gaat hij naar het joodse schooltje. Aleph Beth Gimmel. Elke dag als hij naar huis gaat, vervult hem de verwachting van ongekend geluk. Thuis zijn is veiligheid. Een kind wil ergens bij horen, een volwassene ook. Maar nu is hij niet volwassen. Alles wat na de schooljaren kwam, is een droom geweest, een nachtmerrie, de geldmannen van het
169