in het bankvak te blijven. Hij wist niet goed, wat hij wél wilde. Hij was er gaandeweg zo aan gewend geraakt te worden geleefd, dat hij zich nauwelijks kon voorstellen zijn eigen weg te moeten zoeken. Berustend dacht hij: de werkelijkheid, die ik beleef is een lachhuis op de kermis. De mens is geschapen door een wreedaard. Een spotzieke sadist heeft in zijn hersens het gebod geplant, dat hij zijn naaste moet liefhebben, terwijl de gehele schepping een span Eskimo-honden is: wie zijn keel bloot geeft, wordt doodgebeten.
Soms speelde hij met de gedachte ook eens naar een bijeenkomst te gaan waar de Münchener huisschilder of een van zijn trompetters het hoge woord plachten te voeren - die fantasie lokte en ergerde hem tegelijkertijd. Gedreven door een nieuwsgierigheid, die hij zich zelf kwalijk nam, maar waaraan hij geen weerstand kon bieden, waagde Izak zich eens in een voorstelling van een waarzegger, waarvan iedereen wist, dat hij tot de beweging der jodenhaters behoorde. De kwakzalvende profeet heette Erik Hanussen. Zijn voornaamste voorspelling luidde, dat de huisschilder de opperheer van alle duitsers zou worden en aan het edele volk de heerschappij en de rijkdommen van de hele wereld zou schenken. Izak was hevig geëmotioneerd toen de golf van hysterie door de zaal spoelde. De duitse Messias, dacht hij, is geen timmerman, maar een huisschilder. Waaraan kan de mens de ware Messias herkennen? Als de Verlosser door alle mensen wordt aanvaard zal dat het teken van de waarheid zijn. Hanussen ijkte de valse Messias bij voorbaat met een stempel van echtheid.
De nacht, nadat Izak deze macabere voorstelling had bijge
160