Wanneer Izak zich afvroeg wat de oorzaak van de moeilijkheden waren, wist hij, dat één verklaring niet afdoende kon zijn. Onder zijn collega's van de bank was niemand, die hem vertrouwde; en hij stond wantrouwend tegenover allen. Tussen zijn chef en Izak broeide een stille vijandschap. Hij en die man waren middelpunten van twee partijen, die tegen elkander stookten, conspireerden en soms elkanders werk saboteerden. Dit gekrakeel bedierf de sfeer. Toch wist hij, dat deze onderlinge nijd niet de enige oorzaak was van zijn groeiende weerzin tegen de berlijnse werkkring. Mateloos irriteerde hem ook de ongeremde erotiek, die in de gesprekken een grote plaats innam. In zijn eigen leven speelde de zinnelijkheid slechts een zeer bescheiden rol. Hij sprak nooit over die kant van zijn leven, vreemde terughoudendheid in een omgeving, waarin iedereen de sexuele prestaties in volle openbaarheid mateloos placht te overdrijven. Maar ook dat was niet de diepste oorzaak van zijn onlustgevoelens. Hem irriteerden vooral de ridicule pogingen van zijn collega's, voor het merendeel joden, om zich hoe dan ook met hun oer-duitse omgeving te assimileren. Izak, die in Amsterdam gepoogd had het milieu, waarin hij was geboren te ontvluchten, ergerde zich in Berlijn aan de overdreven activiteit van mensen, die berlijnser wilden schijnen dan de berlijners zelf. Zijn chef was in een pools stadje ter wereld gekomen; in zijn jonge jaren had hij nog rondgelopen met lange krullen langs de slapen, zoals de orthopraxie voorschrijft, maar eenmaal tot Duitser genaturaliseerd, schaamde hij zich voor zijn ouders. Met een krampachtige poging om grappig te zijn zei die chef eens tegen Izak:
158