theologen zonder baarden, die, zich beroepende op zijn gedegen kennis van het Oude Testament, hem de loden zwaarte van de erfzonde wilden laten meetorsen. In zulke dispuutgezelschappen sleet hij vrijwel al zijn vrije uren... en toch bevredigde al dat gepraat hem niet. Hij zocht naar iets, en wist niet wat. Hij ging met die mensen vriendelijk om, en tegelijkertijd wekten zij een tot opstandigheid prikkelende weerzin. Hij zou hen willen beledigen, hen pijn doen, hij wilde hen kwellen, omdat hij zich zelf wilde kastijden - en hij besefte, dat hij niet wist wat hij wilde. Op een avond, toen Izak zich opstandiger voelde dan ooit, verkondigde hij onverhoeds, dat geen van de in het Nieuwe Testament gedrenkte theologen een juiste voorstelling van het hiernamaals bezat. Het was een gedachte, die hem pas inviel toen hij begon te spreken; hij beweerde, dat de sleutel tot het ware hiernamaals te vinden zou zijn in Mat-theüs g :29 en 30. 'Toen raakte hij hun ogen aan en zeide: U geschiede naar Uw geloof.'
'Het Oude en Nieuwe Testament,' proclameerde hij plechtig, 'zijn in een geheime taal geschreven. De blinden waarvan Mattheüs vertelt, zijn wij zelf, de levenden. De bevoorrechten mogen de geheime code niet verklappen, daarom staat er geschreven: 'Ziet toe, dat niemand het wete'.' Misschien niet door de woorden zelf, maar voornamelijk door de toon, irriteerde Izak zijn toehoorders ten zeerste. Hun protesten gaven hem een zoet gevoel van voldoening; hij werd overmoedig.
'Het hiernamaals, beste mensen, bestaat slechts wanneer wij geloven dat het bestaat. Ons, de blinden, die zijn aangeraakt, zal geschieden naar ons geloof.'
146