naat, omdat die provincie in afstand en tijd nu zo ver verwijderd was, dat hij zich alleen de mooie dingen kon herinneren. De geborgenheid van het kleine staedtele, de knusse sfeer van de begrensde joodse gemeente, de steun, die de mensen in de Banaat elkander gaven simpel en alleen omdat ze samen leefden. De gespletenheid van zijn bestaan in het kille nederlandse milieu had Avrom's wil uitgehold. Hij teerde op een restantje energie. De lust om op de tijdstippen, die daartoe voor alle eeuwigheid zijn vastgesteld, naar de synagoge te gaan, werd slapper. Alleen op de Grote Verzoendag trokken de banden met het verleden hem sterk. Dan vastte hij met de wilde wil van de mensen uit Oost Europa.
Evenmin had hij voldoende wilskracht over om aan het leven van zijn zoon enige richting en stuur te geven. De binding van Izak met het ouderlijk huis verschraalde. Overdag was hij loopjongen en straatslijper, 's Avonds liep de jongen de bijeenkomsten af van de vele wonderlijke clubjes, die Amsterdam bergde: leken-theologen, professionele waarheidzoekers, spiritisten, verbreiders van wijsgerige stelsels met de pretentie van eeuwigheidswaarde. Hij ontvluchtte het milieu tussen Waag en Weesperplein. De lessen van het joodse schooltje lagen achter hem. Hij kende voldoende hebreeuws om het met enige vlotheid te kunnen lezen. Het Oude Testament kende hij goed, in het Nieuwe liefhebberde hij. Door die ogenschijnlijk brede kennis was hij een graag-geziene gast in bijeenkomsten, waar mannen met baarden en juichende stemmen de boodschap des heils verkondigden. Hij werd, ondanks zijn jeugd, als geleerde en achterkleinzoon van profeten geacht in de kringen van
5