'Als de rabbijn sterft leeft de Thora verder... als een mens dood gaat blijven zijn hersens nog een tijd leven. De gedachten gaan voort, maar ze hebben geen huis. De hele wereld is vol van gedachten, die een woning zoeken. Izak is zo'n woning. Voor ons soort mensen uit de Banaat is dat heel gewoon. Als onze kinderen geboren worden, zijn ze hun eigen grootvader.'
Toen Izak het schooltje had verlaten kreeg hij een baantje als loopjongen. Eerst bij een kruidenier, daarna bij een apotheek, vervolgens bij een banketbakker, toen bij een andere kruidenier en - niets veranderlijker dan een mens op deze wijze versleet hij tien bazen in nog geen drie jaren tijds. Op Vranja drukte de nederigheid van deze betrek-kinkjes zwaarder dan op haar zoon. Zij was eentje van penning-zestien. En dan was er haar illusie, dat Izak eens heel veel geld naar huis zou brengen.
Zijn gevoelens voor Vranja verschilden veel van die, welke hij voor zijn vader koesterde. Vranja legde een zware psychologische druk op hem. Als hij tegen haar sprak had hij altijd moeite om niet te stotteren. Misschien verbond een gevoel van medelijden Izak nog sterker met Avrom dan de traditionele genegenheid van een kind voor zijn vader. Elke schlemiehl heeft zijn karakteristieke soort pech. Het persoonlijke van Avrom's tegenslag was, dat hij steeds minder in staat bleek de kost voor zijn klein gezin te verdienen. Niet de armoede echter drukte hem het zwaarst, wél het moeten leven in een land, dat hem nooit vertrouwd was geworden en het moeten verkeren met mensen, die hij niet begreep. Hij voelde heimwee naar de Ba
144