'Het is me gedicteerd.' 'Door wie?'
'Ik lees woorden voor, die een ander in mijn schrift heeft gezet.'
Terwijl zulke gedachten staccato in zijn hoofd klonken, bleef hij voorlezen. Maar zijn tong en mond ontsnapten aan zijn wil. Af en toe las hij een zin voor, die zijn ogen niet zagen. Willoos vond hij de overgang naar een tweede verhaal, een ongeboren opstel, dat in zijn hersens op de loer lag en nu onverhoeds naar voren sprong. Het opstel over Het Vreemde Huis. De deur naar het gangetje. De man één hoog. De andere man één hoog. De val van het zware lichaam.
Midden in een zin brak hij af.
Meester Veldhuizen zei, dat Izak dat tweede opstel ook moest opschrijven. Hij kreeg er weer een acht voor. Het cahier mocht hij mee naar huis nemen. Konden vader en moeder de twee achten zelf zien. Maar Avrom noch Vranja scheen door de stijloefeningen geïmponeerd. Avrom streek peinzend over de rimpels van zijn voorhoofd. 'Die geschiedenis van dat Vreemde Huis... het doet me denken. Aan wat doet het me denken? Aan mijn vader5 die heeft van zijn grootvader gehoord, dat die door de knechten van Amalek... er was een pogrom weet je... en de moordenaars van Amalek wilden hem grijpen. Toen is hij gevlucht. Waar is hij gegaan? In een huis. Hij was drieentachtig, die oude man. Op zo'n leeftijd kan men er niet meer tegen als ze je van de trap gooien. Hij was dood... hoor Israël... hij was dood.' Vranja zei:
143