Omdat meester Veldhuizen wist, dat de joodse jongentjes van zijn klas op woensdagmiddag in het godsdienstschooltje met kennis en godsvrucht werden doorkneed - stapte hij juist op die tijd naar het Waterlooplein. Vranja was thuis. Ze had voor meester Veldhuizen slechts weinig geduld, maar toen ze, na vele interrupties harerzijds, eindelijk het gehele verhaal van de kalender en de rassjesjonekaart had aangehoord, zei ze:
'In de Banaat worden de kinderen geboren met oude koppen. Ik heb jongetjes van twaalf jaar aan de rebbe vragen horen stellen, waarop een geleerde niet had kunnen antwoorden, laat staan de rebbe.' 'Voor Nederland is het wel abnormaal.' 'Nou ik u toch spreek,' zei Vranja, 'hoe leert Izak?' 'Middelmatig. Niet goed en niet slecht. Maar hij zit te veel in zich zelf te piekeren.'
'Zou u denken, dat iemand geld zou willen geven om Izak te laten dóórleren?'
'Valt nu nog moeilijk te zeggen. Het kind is pas een jaar of elf. Later misschien... maar dan zullen zijn cijfers moeten verbeteren.'
Toen Vranja teleurgesteld keek, haastte meester Veldhuizen zich er aan toe te voegen:
'Maar een jongen met zoveel ernst... ik ben er zeker van dat die later zijn weg wel zal vinden. Als hij een positie krijgt, die bij hem past... kan hij het beslist nog wel ver brengen.'
'Dat knoop ik in mijn oor,' zei Vranja, 'wel bedankt voor het bezoek, meester.'
136