Alle kinderen dromen. In dit opzicht was Izak geen uitzondering. Wel was het ongewoon, dat één bepaalde droom steeds terug kwam. Voor zo ver hij het zich kon herinneren was Het Vreemde Huis hem voor het eerst verschenen in de nacht volgende op een wandeling van de schoolklas. De ervaringen van dit uitstapje en de droom waren onafscheidelijk met elkander verbonden.
Eerst had de klas de oude Visafslag aan de Nieuwmarkt bezocht, een holle ruimte, waar het bedwelmend rook naar rauwe vis, rottend riet van manden, zout en zweet van mensen. Buiten achter de vis-hal was het opwindende lawaai van visserslui en van hobbeljongens, die op lange planken stonden, het ene eind van de plank hing in het water van de grote viskuipen, waar levende vissen in zwommen. De jongens wipten met de plank op en neer om het water in beweging en de vis levend te houden. Ze zongen een sterk-ritmisch lied. 'Hobbelen, hobbelen, hobbelen maar... hobbelen, hobbelen, hobbelen bom...' Izak raakte door dat tumult en die geuren volkomen in verwarring :
De doordringende geur van zout en vreemd gedierte. Wanhopig springende vissen in kleverige manden. In de ogen van beesten wanhoop. In de ogen van mensen wreedheid.
Dikke alen kronkelen in verstikkend zaagsel. Een vrouw steekt een blaasroertje in de buik van een vis. Het dier zwelt op als een wanstaltige worst. Koud bloed stroomt over handen van mensen, die met messen boren in ingewanden van dieren, die zich niet kunnen verweren.
137