ten. Hij kon de dagen niet afzonderlijk zien. Zoals sommige mensen kleurenblind zijn, was hij tijd-blind. Zei hij: 'Alle dagen zijn hetzelfde.'
Vranja was te rusteloos om aan die tijd-blindheid enige aandacht te besteden, maar Avrom had geduld. 'Izak-leeb, als je geslapen hebt, komt er een andere dag.' Met zijn oudemannetjes-gezichtje keek Izak hem aan. 'Dus als ik 's middags ga slapen, komt er ook een andere dag.'
'Nee, alleen als je's nachts slaapt.'
'Dus slapen heeft er niets mee te maken.'
"s Avonds gaat de zon weg, dan wordt het donker... dat is
nacht... en als het weer licht wordt is het een andere dag.'
'Nee, het is dezelfde dag.'
Na een paar dagen diep peinzen dacht Avrom, dat hij een duidelijke verklaring had gevonden.
'Kijk nou naar het plein, Izak-leeb. Dan zie je toch afzonderlijke stallen en karren.' 'Ik zie maar één plein.'
Zolang deze bespiegelingen van een kind-met-een-oud-hoof d tot de huiskamer beperkt konden blijven, veroorzaakten ze weinig moeilijkheden. Maar ze werden lastiger toen meester Veldhuizen zijn leerlingetjes de diepe geheimen van de kalender trachtte te ontsluieren. Stak Izak zijn vingertje op.
'Waarom maken ze geen kalender, waarop je alle dagen kunt zien... alle dagen, die er al zijn geweest, en alle dagen, die nog komen.'
'Izak Nahum, voor zo'n kalender heb je een stuk papier nodig zo groot als heel Amsterdam.'
133