Dat is dan het grafschrift voor honderdtwintigduizend Amsterdammers.
Ik heb ook dit boek geschreven, omdat ik een zwak vertrouwen heb, dat de epitaaf toch anders zal luiden. Mensen zullen die boeken lezen en voor hun ogen zullen de mannen en vrouwen voorbijgaan, martelaren, die men niet vergeet. Ze zijn nu naamloos en toch heten ze een goede naam na, die beter is dan goede olie. En laat ons hopen, dat de dag van hun dood beter was dan de dag, waarop ze werden geboren. Dan dooft het vlammetje van mijn vertrouwen weer. Maak je geen illusies over hun grafschrift. Ze zijn dood en spoedig zijn ze vergeten, allemaal.
De paar mensen uit de oude buurt, die het Grote Verdriet mochten overleven, zouden stikken van hartzeer als ze niet meer konden spreken over de dagen van vroeger. Niets kunnen zij, kinderen van het weten, moeilijker aanvaarden dan het onherroepelijke.
Als ze over het verleden mijmeren... wat doen ze dan eigenlijk?
Ik weet niet of er, na zeventien en meerjaren, werkelijk zoveel verschil is tussen de mensen, die gekrepeerd zijn in de concentratiekampen en de levenden, die vandaag nog steeds gevangen zitten binnen het prikkeldraad van hun ineenschrompelend geheugen.
In alle boeken over het leed der opgeslotenen las ik geen passage, die me dieper aangreep dan die van dr. Jaap Meyer in 'Het verdwenen ghetto'.
'In de maanden oktober en november van het jaar 1944 heb ik in Belsen op verzoek van enige vrienden een serie lezingen
204