van stapel liepen, officiële personen die elkander, zolang de ceremonie duurde, beleefd aanspraken en onmiddellijk daarna weer naar hartelust aan het tutoyeren sloegen; er was applaus en er was een fris drankje.
Een huis in Eretz, met centjes van de socialen, en genoemd naar Henri Polak. De zaal was vol mensen, wier lichamen reeds lang tot stof waren vergaan. Rabbijn Meyer de Hond was er met zijn felle ogen en hij streelde bedachtzaam zijn zwarte baard; weet een mens nou wat de toekomst zal brengen? En Henri Polak was er, en Monnetje, en Joppe en mijn vader en moeder, en Sam en Gretha; en rabbijn Akiba Frank was er ook, ach ja, en een stoet van gewone leden van de kehillah ('mooie rammenas, sjijne rettisj') en een eindeloze optocht van kibbelende partijgangers, (ik heb gelijk, nee ik, jij hebt ongelijk, nee, ik heb recht). Alle meningsverschillen waren wind geweest, en nu was iedereen gelukkig, de zichtbaren en de on-zichtbaren, want de twee huizen werden één, het huis in de Franse laan en het huis op het Weesperplein in Mokum Aleph; één werden die twee symbolische gebouwen... hier in Beith Berl, even ten noorden van Tel Aviv in het oude Nieuwe land. Volgens recht en regel had deze monetaire plechtigheid het hoogtepunt moeten vormen van ons bezoek aan Het land. Een dieptepunt was het beslist niet, maar een climax? Nee! Hoogtepunten komen altijd onverwacht. Die reis naar Israël had twéémaal zo'n onverwachte, glanzende climax. De éérste maal:
Voormalige Nederlanders, thans in Israël woonachtig, hebben in Tel Aviv een bijeenkomst belegd. Ze willen de delegatie zien, en vooral, ze willen met de leden een babbeltje maken. Bijpraten, heet dat.
197