trek de delegatie werd gelaafd met sinaasappelsap en taartjes (het was per saldo al drie uur 's nachts) zat ik, ver weg aan de uiterste vleugel van het stationsgebouw onder de eeuwige sterren. Mijn eerste nacht in Israël...
Eerst dacht ik aan een vers van Heine; lang geleden had ik het gelezen. Het lied van de rusteloze zwerver, die niet weet waar eens zijn graf zal zijn. Onder palmen in het zuiden, onder linden aan de Rijn? Wordt hij door een vreemde hand weggestopt in een kuil in het zand, ergens aan de oever van de zee? En dan de bevrijdende gedachte:
'Immerhin, mich wird umgeben, Gottes Himmel dort wie hier. Und wie Totenlampen schweben nachts die Sterne iiber mir'. En daarna schoof onmiddellijk een andere gedachte naar voren, want de menselijke geest is een oncontroleerbare juke-box. Peinsde ik: Als ik thuis terug ben, ga ik een verhaal schrijven van een man en een vrouw, die getrouwd zijn, en gedurende hun hele huwelijk hebben ze elke avond ruzie. Hij wil de ramen van de slaapkamer dicht en zij wil ze open hebben. Totdat ze van hun kinderen een reis naar Eretz krijgen, als cadeau voor hun zilveren bruiloft. De eerste nacht in de kibboets staat hij voor het raam; het is een open raam. Hij kijkt het slapende Eretz in. Hij maakt zijn vrouw wakker. Zegt hij: 'Gijn, tweeduizend jaar lang heb ik met dichte ramen geslapen, en nou ik voor het eerst in mijn leven 's nachts voor een open raam sta, is het net alsof ze altijd open zijn geweest.' Tegelijkertijd wist ik, dat ik dat verhaal nooit zou schrijven.
De aanbieding van de Nederlandse duiten, een paar dagen later, was wat ze in de kranten een stijlvolle plechtigheid noemen, met als nevenverschijnselen: redevoeringen, die vlot
196