die stonken naar verschaald bier, predikte hij, dat de Joodse arbeiders van Amsterdam iets bezaten, dat ze met de rijke juweliers konden delen. Namelijk de aanspraak op het recht elkander in een eigen vaderland, in Eretz, in politicis naar het leven te staan.
Smaalden de wankelmoedigen:
'Ach Sam, je groepje is klein en het wordt nooit groot.'
Antwoordde hij met profetische extase:
'Louis Bouwmeester is ook met kleine rolletjes begonnen.'
Hielden de twijfelaars vol:
'Wee de wolf, die in een kwaad gerucht staat.'
Zei hij slagvaardig:
'S. de Wolff, niet wee de wolf.'
Voor hem waren teleurstellingen slechts aansporingen om te volharden. Aangezien het waarschijnlijk nog wel een half uurtje zou duren, voordat het Amsterdamse Joodse proletariaat honderd extra treinen zou huren om naar Het Land te emigreren, nam Sam in Mokum Aleph alvast een voorschot op de verbitterde klassenstrijd, die ze later in het Beloofde Land toch zouden moeten voeren. Hij geselde de liberalen met schorpioenen; zij mepten terug met pek, vuur en zwavel. Sam heeft, vrijwel in zijn eentje, ervoor gezorgd, dat de Joodse arbeiders van Groot Mokum niet onbereikbaar vér van het Jodendom vandaan werden vervreemd.
En alleen reeds voor die prestatie moge hij een leunstoel in de hemel verwerven, en - als het er even af kan - op aarde een boek als monument, dat de herinnering aan deze rabbijnen-verafschuwende geseculariseerde rabbijn nog een poosje levend zal houden.
Deze achtergrond heb ik moeten tekenen om duidelijk te kun
182