gemiddelden en met wetten van grote getallen en met beleggingen, als ik het wel heb. Dat zijn allemaal uitingen van menselijk vernuft, zo droog als gemalen Palthe-dozen. En neem het een mens maar eens kwalijk, wanneer hij een dorstige keel krijgt zodra hij het woord verzekeringsbedrijf leest of hoort.
Verzekeringsbedrijf. In de eerste plaats dus de verzekering zelf. Het is geen kansspel, geen Monte Carlo engros of en detail, met een directeur, die de bank houdt en een croupier, die het tolletje van de roulette in beweging brengt. Het is zekerheid! Zekerheid voor de mens, die thuis in de linnenkast een polis heeft liggen en trouw elke maand zijn premie dokt - zekerheid ook voor de bank, die uitbetaalt aan de nabestaanden.
En, vervolgens bovenop die verzekering, het bedrijf. Zakelijk met koele verslagen, waarin iedereen precies kan lezen, zoveel is er ontvangen, zoveel uitgegeven, zoveel verdiend, zoveel is gereserveerd; en niets is aan de maat en de strijkstok blijven hangen.
Er zijn mensen, die met getallen kunnen omgaan alsof het levende wezens zijn. Ze herkennen hen aan hun gezichten. Wat vele anderen een dorre woestenij van gort-droge cijfers vinden, is voor hen een boeiend landschap met weilanden en bossen en sappig groen op de flanken der bergen. Deze mensen zullen mij met afgrijzen een fantasie-loze barbaar noemen, omdat ik rillingen krijg bij het woord 'verzekeringsbedrijf'. Maar zo is het nu eenmaal.
En nu dan een gedachtensprong naar een geheel andere vorm van menselijke activiteit: het bibliotheekwezen. Wanneer de lezer thans de wenkbrauwen fronst en tot zichzelf zegt: 'Die schrijver springt van de hak op de tak.'... dan moet ik hem waarschuwen, dat er wel degelijk verband bestaat tussen het voor mijn gevoel dorre verzekeringswezen en het bibliotheekwezen, dat ik boeiend vind en waarvoor ik mijn hele leven een zwak heb gehad.
Een oud boek, een oude bibliotheek, een vergeelde brief en een eeuwenoud archief, zetten de verbeeldingskracht van vele mensen in beweging. Niet alle voorwerpen zijn dode dingen: een stoel in een winkel-etalage is een ding zonder ziel, een meubel zonder persoon-
222