Woensdag
Een van m'n slaappies, namelijk de knaap, die in het bed onder me probeert een oog dicht te doen, vroeg me vanmorgen of ik van plan ben gedurende de reis een boek te schrijven. Hoe bedoelt u?, vroeg ik hem, nou 't kwam dan hierop neer, dat het licht van dat lampje in de zoldering van de hut door een kier tussen de bedden en de wand heen schijnt te schijnen, en dat beetje licht heeft hem gisteravond gehinderd, toen ik mijn eerste brief aan jullie schreef; hij kon niet in slaap komen, en toen 't licht uitging was hij over zijn slaap heen.
'Maar man, waarom heb je dat dan niet direct gezegd,' zei ik in mijn beste steenkool-Engels tegen hem, 'dan had ik het licht uit en mijn ogen dicht gedaan.'
'Ik wou je niet storen,' zei hij; stel je voor, hij wou mij niet storen, maar ik heb hem een paar uur uit de slaap gehouden. Ik mag die knaap wel, Terry heet hij, heeft hij me verteld en ik heb een half uurtje met hem over het dek gewandeld, of gewandeld is niet het goede woord, gerend moet ik zeggen. De vent, die Terry dan hé, heeft zich door een van de bemanning precies laten uitleggen hoe lang het dek is en nou heeft hij uitgerekend, datje drie en een halve maal het dek moet rondrennen om precies een mijl te hebben afgelegd, en driemaal drie en een half is royaal tien keer het dek rond, dat is dus drie mijl en, zegt Terry: 'Ik moet elke dag drie mijl rennen om fit te blijven.'
'Voor wie moetje fit blijven?' vraag ik.
'O,' zegt hij broodnuchter, 'zó maar fit. Voor mezelf. Een soort sport zal ik maar zeggen.'
Nou je moet er van houwen (denk ik), maar ondertussen huppel ik naast hem het dek op en neer (precies het paard van Sinterklaas), en ondertussen praten we wat; in het begin heb ik moeite om hem bij te houden, want galloperen en praten is niet zo makkelijk, maar langzamerhand begint mijn adem goede vrienden te worden met mijn benen, en dan babbelen we heel gewoon, alsof we samen een straatje om slenteren. (Als ik elke ochtend zes weken lang drie mijl moet
181