Een van de bestuursleden wenkte me. 'Ga eens mee.'
Opzij van het kamphuis stond de robuuste klokkestoel. De grote scheepsbel hing er niet meer. Nu hing er een grote klok. '1940-1945. Als blijvende herinnering aan onze jonge kameraden, die stierven voor de vrijheid, roept mijn stem van de Paasheuvel om hun voorbeeld niet te vergeten en te blijven getuigen voor vrede, vrijheid en vriendschap.'
Op een van de stoelepoten zat in een lijst, een stuk perkament met een rij namen er op.
'Dat zijn de A.J.C.-leden, die tijdens de bezetting gestorven zijn.'
Namen. Achter elke groep letters doemt een gezicht op. Stukjes uit een veelkleurig mozaïek. Gaten in die levende muur van rood en geel en blauw en zonlicht.
Omdat je vecht tegen een gevoel van ontroering, datje voelt opkomen ('stel je niet zo aan!') zegje koudweg tegen jezelf: 'Op de plaats waar deze knaap vroeger zat, zal morgen iemand anders zitten en niemand zal het verschil bespeuren.'
En tegelijkertijd weetje, dat er (hoe zal ik onder woorden brengen wat ik precies bedoel) meer-dimensionale gaten zijn, die nooit worden gevuld.
Misschien vindt iemand nog eens tijd om de levensgeschiedenis op te schrijven van de jonge mensen, wier namen op dat stuk perkament staan. Zoveel mensen hebben hen gekend. Dat wil zeggen: als ze een foto zien van een Pinksterfeest, kunnen ze de oude bekenden er stuk voor stuk uithalen.
'Dat is die... en tjeetje, daar heb je die vent ook, nou die was ik totaal vergeten.'
'Kijk eens daar heb je die twee. Weet je nog, ze waren pas getrouwd, drie dagen voordat ze samen, als man en vrouw wéér naar Vierhouten gingen; en aanvankelijk geneerden ze zich een beetje om samen met de andere jonge stelletjes onder de Meiboom op het podium te gaan staan en zich te laten bepreken.'
'Ja, weetje nog... maar toen ze dat kookboek van de Coöperatie kregen, waren ze hun bleuheid meteen kwijt.'
172