onthulde biologische goocheltruc wisten ze altijd kinderen te krijgen niet strogeel haar. Die blagen heten ze plaatjes zien uit 'Das Haus in der Sonne' toen de wurmen nog te jong waren om het verschil te beseffen tussen een melkfles en hun echte moeder.
Wanneer de A.J.C. een feestbijeenkomst belegde (elke samenkomst was een stuk feestcultuur) kwamen de imitatie-A.J.C.-ers in het kielzog van de troep aangevaren. De vedelaars aaiden de snaren, de gui-taristen rammelden hun welluidende spijkerbakken, de blokfluiten zongen falset. De A.J.C. danste. En de oma's en opa's werden door de dartelheid onweerstaanbaar besmet. Ze grepen elkaar in de om-en-om greep van de stijlvolle dans en volop en hoorbaar genietend zongen ze met stijve knieën en het laatste restantje adem:
Moeder Wies, moeder Wies kijk nou 's an Hoe ik de boemelschots dansen kan Hakke en een teen, linker-, rechterbeen O moeder Wies, waar gaat dat heen ?
Bij een dergelijke exhibitie heb ik eens een bedachtzaam lid van de S.D.A.P. horen zeggen: 'Toen wij zo jong waren, waren we vroegwijs. We waren onze eigen grootvaders, maar die lui, die daar dansen, die zijn potdomme hun eigen kleinkinderen. Het is géén gezicht.'
En toch deed het je goed, tot in het diepste putje van je socialistische hart, want al kon je het niet onder woorden brengen, op een of andere manier had dat onwennige gedoe iets met socialisme te maken.
Het was onvermijdelijk, dat Koos, Klaas, Jan, Piet, Ben en hoe die snuiters verder allemaal heetten, het op een goede dag in hun overmoedige hersens kregen, dat de A.J.C. een eigen huis moest hebben.
Aan woorden heeft het dat gezelschap nooit gemankeerd. Ze proclameerden plechtig, dat ze verlangden naar: een eigen centrum, waar vanuit het opvoedings- en scholingswerk van de socialistische jeugdbeweging telkens nieuwe kracht zou kunnen toestromen. In dragelijker Nederlands gezegd, kwam het hier op neer, dat ze
163