Bij alles wat ze deden, zeiden of dachten, zochten ze naar 'stijl'. Wat stijlloos was, wisten ze precies.
Het was géén stijl om op hoeken van straten rond te hangen.
Het was ook geen stijl om op Zaterdagavond over de Nieuwendijk te flaneren.
Alleen in de gemeenschap van de A.J.C. ontmoette je de nieuwe levenshouding.
Om al deze redenen vonden ze het vanzelfsprekend, dat de organisatie hun geen vrij uurtje in de week gunde. Ze werden een gesloten groep. Met eigen omgangsvormen. Met een eigen groet. Met een zelfgevonden voorstellingswereld. Met een eigen woordenboek. Geen woord vond zoveel verschillende toepassingen als de uitroep: fijn.
Partijgenoot Vorrink werd Koos Vorrink en spoedig alleen maar Koos, heel amicaal.
'Vriendschap Koos! Fijn weer.'
'Vriendschap! Fijn, dat ik je weer eens tegenkom.'
'Ja fijn, we hebben bij ons in de afdeling pas zo'n fijn boek gelezen.'
'Fijn, zeg!'
Die tovenaar maakte van zijn jonge garde een fijne kern, die in haar eigen snelheid ging roteren. Gaandeweg werden steeds nieuwe kringen van jonge mensen door die snelheid gegrepen. Heel wat ouderen konden de aantrekkingskracht niet weerstaan. Ze gingen méé-roteren. Al liepen ze naar de veertig.
Wanneer zo'n figuur van middelbare leeftijd door de geest van de A.J.C. was gepakt, veranderde hij zijn kleedij. Het donkere stofpak werd vervangen door een bombazijnen costuum. Als Bruin het kon trekken, nam hij in plaats van pilow, iets in ribfluweel. Een hoed of pet droeg hij reeds lang niet meer. Hij kocht zich een effen hei-kleurig overhemd met een gebreide das van bont patroon. Onder de sportkousen droeg hij sandalen, die hij bij het eerste grassprietje, dat hij tegenkwam, subiet uittrok. Hij danste zich door het leven.
De vrouwen hulden zich in 'Dirndlkleid' met pofmouwtjes. De haren droegen ze met een scheiding in het midden en twee in elkaar geknoedelde vlechten tegen het achterhoofd. Door een of andere nooit
162