pinda's straal negeren en onophoudelijk in hoogdravende termen je afkeer betuigen van platte lol.
In de A.J.C. hadden ze er op een geheimzinnige manier slag van gekregen de eenvoudigste handeling op te heffen tot een gebeurtenis van belang. Een lied zingen, een vlag ontplooien, een vaandel dragen, een verhaal vertellen, een fikkie stoken... ze wisten het in die nieuwerwetse jeugdbeweging op te dienen met een bravour en een plechtigheid, alsof je vier en twintig uur per dag in een tempel woonde. En de zucht om hogepriester, en als het niet anders kon dan maar koster te worden, pakte eerst de jeugd en nam daarna de ouderen te grazen. Je moest als lid van de A.J.C. 'stijl' hebben. Daar hoorde bij, dat iedereen door iedereen bij de voornaam werd genoemd. Koos en Klaas, en Herman en Piet en Henk en Nico en Tine en Ben en Lien en Irene en ga nog zo maar een halfuurtje door.
De nageljongens van de Eilanden kwamen desondanks, en de kinderen uit de Jordaan en uit het centrum van de stad.
Overal in het land ontstonden groepjes van vreemde arme snuiters, die het wandelen nooit moe werden. Van het doodeenvoudige tippelen wisten ze een evenement te maken. Een partijtje kuieren werd opeens een stuk vernieuwing der cultuur. Ze leerden bomen herkennen en torretjes bespieden. Ze raapten kiezelsteentjes op, en beweerden, dat die hen aan de ijstijd herinnerden.
Ze decreteerden plechtig: wandelen leert de mens zijn plaats kennen in de eeuwigheid en oneindigheid, het behoedt hem voor zelfoverschatting.
Met guitaren en blokfluiten voorop, trokken ze door die oneindigheid der gebaande wegen rondom de plaats hunner inwoning en voor zelfoverschatting behoed, zongen ze:
'Wij zijn de jonge garde van 't proletariaat.'
Die wandelingen werden spoedig een levensbehoefte voor hen. Wanneer het weer te mooi was om in zalen of zaaltjes te hokken, trokken ze er op uit.
161