over zwijgen. Nooit en onder geen enkele omstandigheid zweeg hij.
Toen we moesten erkennen, dat we hem niet aankonden, zeiden we schamper: 'Partijgenoot Vorrink... Oh die? Die is ingeënt met een gramofoonnaald!'
Hij praatte ons, nazaten van De Tussentijdse, onder de grond. En al doende trok hij zijn nieuwe A.J.C. boven de horizon.
De oudjes en de jonkies in de socialistische beweging keken met spanning over de schutting.
Op het i Meifeest van het jaar 1920 was de A.J.C. zover, dat ze zich dorst voorstellen. Een eigen programma als op zichzelf staande eenheid in de feestviering op het IJsclubterrein in Amsterdam.
Eerst hield een jongeling in bombazijn een toespraak tot zijn leden. Hij was een schoolkameraadje van me. In de Tussentijdse had hij zich als een wetenschappelijke theoreticus doen kennen, van wie het socialisme nog veel mocht verwachten. Op een of andere mysterieuze wijze echter had partijgenoot Vorrink hem in de ban kunnen krijgen. In een goed jaar tijds had de aankomende theoreticus zich ontwikkeld tot een halfzachte aestheet.
Zijn toespraak begon ongeveer aldus:
'Ik moet hier tot u spreken over ons Meifeest, ja ons Meifeest, en ik ga dat doen, terwijl de beschuttende wal van jonge kameraden om me heen staat. Ik zie dit als een symbool van onze verbondenheid, want wc behoren bij elkaar en we vinden in de gemeenschap van allen gelegenheid om ons te ontplooien en het leven te leiden, zoals het eigenlijk bedoeld is.'
Er was iets in de klank van zijn stem en in de keus zijner woorden, die de toehoorders de oren deed spitsen. Die knaap méénde wat hij zei. Een nieuw lied, een beter lied, mijn vrienden wil ik dichten.
Met geen syllabe kikte hij van de ernstige politieke vraagstukken, die hem toch niet geheel onbekend moesten zijn. Hij zag kans een half uur, boeiend te praten over schoonheid en vrijheid, levensblijheid en vrede, allemaal onweegbare dingen! Dat was dus het nieuwe begin ?
Daarna zag de socialistische beweging voor het eerst: volksdansen.
159