S.D.A.P. Niemand der jongelingen heeft ooit van zijn hart een moordkuil gemaakt. Zij beleden oprecht, dat het Partijbestuur van hun jeugd niets begreep.
Geroddeld werd, dat in een Partijbestuursvergadcring de volgende dialoog ten beste werd gegeven:
ie Partijbestuurder: 'Een socialistische jeugdbeweging is een noodzakelijk kwaad.'
2e Partijbestuurder: 'Niet noodzakelijk. Alleen maar: een kwaad.'
Beide stromingen sloten toen een compromis. Er zou wèl een jeugdbeweging komen. Maar ze mocht zich niet met actuele politiek bezighouden.
Alleen reeds door dit vergelijk kreeg de beoefening der staatkunde voor de leden van De Tussentijdse de verlokking van de geheime genotvolle zonde. Ontelbare keren zijn ze voor de verleiding bezweken. Maar bij niemand heb ik ooit berouw bespeurd; niks daarvan hoor!
Met groot doorzicht, had het Partijbestuur verordineerd, dat er op de Tussentijdse beleidvol moest worden gepast. Die vertrouwenspositie viel een gezelschap rustige politieke en paedagogische dames en heren in de schoot. Ze kregen er grijze haren van. Want tegen die toezichthouders intrigeerden we soms met leepheid, meestal met onverstand, maar altijd met de genegenheid, die vroeger op de lagere school onze verhouding tot de meester had gekenmerkt. We loerden ijverig op elke kans om duidelijk te demonstreren, dat we de noden van het internationale proletariaat beter begrepen dan zij. Dan zetten we de douche open, waaruit citaten, bewijzen, argumenten en tegenwerpingen spoten.
Mijn lidmaatschap van De Tussentijdse viel samen met de jaren van de eerste wereldoorlog. Wij weigerden de kleine mensen de dupe te laten worden van de grote politiek.
In dit opzicht waren we roerend eensgezind. Maar hoe die arme drommels te redden? Daarover lagen we met elkaar geestelijk te worstelen. De ene helft van de leden was tegen, de andere helft vóór de verdediging des vaderlands. We bevochten elkander op leven en dood met het geesteszwaard der vrijheidsscharen. Natuurlijk wonnen
156