verenigt u.' Toen er nog in de verste verte geen sprake van kon zijn, dat de afdeling ooit het geld bijeen zou kunnen brengen om het gebouw te laten zetten (laat staan het te exploiteren) dreigde er in het bestuur al een scheuring, omdat men het over de naam niet eens kon worden.
Er was toen een fonds gevormd, uit vrijwillige bijdragen van al degenen, die lid wensten te worden van het eigen gebouw, dat er nog niet was. Elke week een dubbeltje, jaren achtereen.
In andere plaatsen had de beweging ook eigen gebouwen kunnen laten zetten. Partij en vakbeweging samen, en soms met de royale hulp van De Centrale in den Haag, die de arbeiders tegen lage tarieven verzekerde en toch nog geld wist te verdienen.
Toen Hendrik in het afdelingsbestuur werd gehesen, stond de vlag juist op de nok van het volksgebouw: het was onder de kap.
In de bestuursvergadering zei de voorzitter: 'Ik stel voor, dat we onze partijgenoot Negentienvier benoemen tot afgevaardigde van het bestuur in de commissie, die moet toezien op het meubilair in het eigen gebouw.'
Iedereen juichte dit voorstel hartelijk toe, want het lidmaatschap van die commissie was geen sinecure. Je moest toezien, dat onverschillige bezoekers het meubilair niet veramponeerden. Als je de functie van commissielid goed wilde uitoefenen moest j e van 's morgens vroeg tot 's avonds laat in het gebouw rondlopen en achter elke bezoeker gaan staan om toe te zien, dat hij geen as morste op de vloerbedekking, geen krassen maakte in de stoel, geen koffie kliederde op het tafeltje, niet met deuren sloeg en geen peukjes sigaren wierp in installaties, die beslist niet verstopt mogen raken, omdat anders het eigen gebouw onfris zou gaan ruiken.
Toen het gebouw eindelijk klaar was, werd het feestelijk ingewijd met een culturele avond, zo mooi als niemand voor mogelijk had gehouden.
Hendrik met zijn herinneringen aan Amsterdam, had doorgedreven, dat er een eerste klas programma ten tonele zou worden gebracht. Persoonlijk was hij naar de hoofdstad getogen om er met
132