een principieel debat niet vertroebelen met persoonlijke kwesties.'
'Dat kan wel,' beweerde Hendrik droogjes, 'en als ik het niet begrijp, zal het wel weer aan mij liggen, maar wij arbeiders praten ook maar naar ons verstand ons ingeeft en dus zeg ik meneer de voorzitter, dat die partijgenoot-ambtenaar makkelijk kletsen heeft. Als hij vijf en zestig jaar is, verlaat hij de klassenstrijd met pensioen en wie doet hèm dan nog wat ? Het spijt me heel erg, voorzitter, maar als ik die redeneringen hoor, dan denk ik: nou die partijgenoot mag dan een hele knappe ambtenaar zijn, maar het zwarte garen heeft hij niet uitgevonden...'
'Ik vraag het woord voor een persoonlijk feit,' riep de aangevallene woedend en deftig tegelijk.
'U heeft het woord voor een persoonlijk feit,' zei de voorzitter formeel.
'Ik protesteer er tegen, voorzitter, dat Negentienvier persoonlijke elementen in het debat brengt door te zeggen, dat ik het zwarte garen niet heb uitgevonden. Dank u', en toen ging de partijgenoot-ambtenaar weer zitten.
"Wenst Negentienvier hier nog op te antwoorden?' vroeg de voorzitter.
'En of', antwoordde Hendrik, 'ik... eh... heb er spijt van dat ik gezegd heb, dat hij het zwarte garen niet heeft uitgevonden... Ik neem mijn woorden terug, voorzitter en verklaar, dat hij het zwarte garen wel heeft uitgevonden.'
Toen dreunde de zaal van het gelach en de voorzitter bracht snel het voorstel van de oppositie in stemming, dat met overgrote meerderheid werd verworpen.
Niet de principiële opposanten, maar een paar kleinzielige geestdrijvers gingen in de weken daarna fluisteren, dat Hendriks vriendschap met August Bebel een puur verzinsel was. Opschepperij, kale Amsterdamse drukte, en anders niet.
Het boze gerucht won aan kracht. De een vertelde het de ander, in diep geheim. Zwijgt het voort. En ieder plakte er nieuwe bijzonderheden aan vast.
129