wat een zorg en moeite... anders hadden we er misschien niet eens toe besloten.'
Alle gebeurtenissen en alle vluchtige ontmoetingen met Atje, die ik tot dusver in dit verhaal heb verteld, spelen vóór het jaar 1934.
Een paar jaar later vond ik bij de post een grijs boekje met een akelig geleerde titel. Het ging over iets vreemdsoortigs, angstwekkend en ingewikkeld: Gerrit's dissertatie. Er lag een keurige uitnodiging in om bij de promotie aanwezig te zijn. Als ik, die toch waarlijk niet meer dan een vluchtige kennis van Atje was, zo'n invitatie kreeg, wel dan moest hij de halve wereld hebben aangezegd, dat zijn zoon zou gaan promoveren. Maar tja, zulke uitbundigheden moetje een trotse vader kunnen vergeven.
De promotie vond plaats in de aula van de Amsterdamse Universiteit. Atje in een deftig zwart pak, en zijn vrouw in een jurk, opvallend nieuw en kennelijk voor deze bijzondere gelegenheid bij de naaister besteld en gepast. Een stuk of wat familieleden, die op een kluitje bij elkander stonden. En verder dozijnen mensen uit de arbeidersbeweging, die allemaal een blik van blijdschap in hun ogen hadden, alsof ze dachten: 'Het is eigenlijk ook een zoon van ons, die gaat promoveren.'
De plechtige optocht kwam binnen. Eerst de pedel, daarna de professoren in hun slobberjurken; Gerrit was er al, in een gehuurd pak en de paranympfen, die keken alsof ze vandaag jarig waren en nog gefeliciteerd wilden worden ook.
Gerrit verdedigde zijn proefschrift, stotterend, maar, voor zover ik er iets van begreep, met veel inzicht in vraagstukken, die mijn kennis verre te boven gingen. Daarna kwam de plechtige uitreiking van de doctorsbul in de zaal, waar de wanden van onder tot boven vol hangen met de portretten van geleerde professoren.
De prof, die Gerrit toesprak overschreed ver de grenzen van het conventionele, want na enkele formele zinnen, keek hij niet meer de jonge doctor in de natuurwetenschappen aan, maar Atje, de vader. Hij bleek voortreffelijk op de hoogte van Atje's leven.
112