nacht is en ik ben alleen met mijn gedachten, heb ik moeite het te geloven. We kunnen nu eenmaal niet allemaal helden zijn... enfin', ging ze met een glimlach verder,'eigenlijk ben ik ondankbaar. Ik heb tenminste mijn eigen jongen nu vlak bij me. Hoeveel moeders zouden niet tien jaren van hun leven willen afstaan voor dat geluk? Ik ben nog een bevoorrechte, inplaats van bedroefd, moest ik vrolijk zijn.' 'Nou moetje ophouden vrouw', zei Dirk's vader, 'zeker op een ochtend als vandaag moet je niet bedroefd doen. Je eigen jongen zit bij je. En het land is in opstand. De jongens van het spoor staken', zei hij tegen Willem. 'Het is niet waar', zei deze.
'Het is wél waar', zei Dirk's vader, 'voordat we hier naar de wachtkamer gingen, hebben we beneden aan het loket een kaartje van Hilversum willen kopen. Laat het maar', zei de man achter het loketje, 'we moeten eerst nog zien, dat het spoortje vandaag rijdt.' Die man had verteld, dat de staking vroeg in de ochtend in de Rietlanden was begonnen. Op dat grote spoorweg-emplacement hadden de arbeiders gezegd: we doen het niet langer. En ze waren weggegaan. 'Wie heeft de leiding?' vroeg Willem.
'Die man van het loket dacht', zei Dirk's vader, 'dat er briefjes door de communisten waren verspreid.- Kan best wezen, maar het kan me niks schelen, heb ik hem gezegd, het gaat tegen de Nazi's en dat is de hoofdzaak.'
'Het kruitvat en de lont', dacht Dirk. Hij had gisteravond een voorgevoel gehad van de aardbeving. De spanning was in maanden van onderdrukking en tyrannie aangegroeid. Nu was de uitbarsting gekomen.
'Ik heb met mijn eigen ogen gezien, nietwaar vrouw, dat de rangeerders en ander spoorwegpersoneel hier op het station de boel de boel lieten en wegliepen', ging Dirk's vader verder. 'Er kwamen mannen op de fiets langs de lijnen naar het station. Ze deelden papiertjes uit en toen reden ze weer haastig weg. Ik hoorde eentje zeggen: er is een ploeg op weg naar de overkant van het IJ, de hele metaal moet plat.' Ze bleven nog een tijdje met elkander fluisteren. Van buiten klonk gedruis van stemmen tot de wachtkamer door. 'Er wordt geloof ik gezongen', zei Dirk. 'Dat meen ik ook te horen', zei Willem ongeduldig. Vader zag, dat Willem weg wilde.
'Er komt vandaag toch niets van reizen', zei hij, 'we zullen maar weer naar die kennis van me gaan waar we vannacht hebben geslapen.' 'Welnee', zei Dirk, 'ik weet heel wat anders. Jullie blijft hier rustig zitten. Willem en ik gaan een beetje rondkijken, en over een uur of
186