hoofdstuk viii
Amsterdam in opstand
De volgende ochtend wilden Dirk en Willem met de tram naar het Centraal Station gaan. Maar in geen velden of wegen was een tramwagen te ontdekken. Bij de halte op de hoek van de Ceintuurbaan stonden veel mensen te wachten.
'Waar blijft dat luie ding nou weer?' mopperde iemand. 'Vroeger reden de trams op tijd, de wagens waren schoon en je zat er voor je plezier in... maar ja, dat was in de tijd, toen de corrupte democratische regering nog de baas was. Nu zegt het Herrenvolk hoe 't moet, en nou is het tenminste een zootje.'
De ontstemming van de wachtende Amsterdammers uitte zich in een grimmige gallige humor.
'Gisteren stond ik op de tram', zei iemand, 'en naast me stond een Duitse officier, die van de wagen wilde springen voordat de tram stil stond. Ik zeg: 'Voorzichtig Heinrich, als je zo meteen onder de wagen tot moes wordt gereden, mogen wij vanavond weer niet de deur uit voor straf."
Een man kwam aanfietsen. Hij maakte opgewonden gebaren. Bij de halte stapte hij af.
'Ga maar lopen', riep hij, 'vandaag rijdt er geen tram. De hele boel staakt.'
Sommige mensen wilden hem niet geloven. Ze wezen veelbetekenend met hun wijsvinger naar het hoofd. 'Hoe weetje dat?' riepen ze.
'Ik kom net van de remise. De hele boel staakt. Iedereen heeft het werk neergegooid. De wagens, die buiten stonden hebben we met z'n allen weer naar binnen geduwd. Ga maar lopen. Rijden is er vandaag niet bij.' Willem keek Dirk aan. 'Zou 't waar zijn?' 'Het kan waar zijn', zei Willem.
Ze liepen door de van Woustraat in de richting van het Centraal Station. Naarmate ze dichter bij het centrum van de stad kwamen, was het duidelijk, dat er inderdaad iets bijzonders aan de hand was. Er waren veel meer mensen op straat dan anders. Niemand scheen haast te hebben. Alleen opgewonden mannen op fietsen ijlden zenuwachtig door de straten. Hier en daar stopten ze. Vertelden iets en reden haastig weer verder.
183