ik van de maan. Smeer 'm, ik wil jou hier niet langer zien.' Janus gaat weg. Naar huis, naar zijn vrouw, die hem met open armen ontvangt. Tussen twee haakjes, dat huis van hem stond er nog, want Janus woont aan de buitenkant van de stad waar geen bommen zijn gevallen. Maar na een paar dagen, begint Janus een soort wroeging te krijgen. Wat drommel, denkt hij, kom ik nou uit Londen of kom ik niet uit Londen? Ze zullen aan de overkant denken, dat Janus een opschepper en een leugenaar is. Dat neemt Janus niet. Hij gaat weer naar dat kantoor van die vereniging van hem. Hij schiet nu een andere bestuurder aan en aan die vertelt hij voor de zoveelste keer, dat hij uit Londen komt. De bestuurder zegt: 'Ik heb van dat verhaal gehoord, maar ons belatafel je niet, meneer Janus Droesem. Jij komt net zo min uit Londen als ik. Vertel eens hoe ben je hier gekomen? Met de K.L.M. of met de Batavier?' Janus kijkt die man vuil aan, maar hij beheerst zich en vertelt in geuren en kleuren het verhaal van het Noorse schip dat vergaan is en van de sloep. Maar hij is nog juist slim genoeg om niks te vertellen van de zender en de code. Die bestuurder kijkt op zijn manier Janus slim aan en zegt: 'Dat is nou wat ze hier in Rotjeknor een vaartje noemen. Als ik nou maar zo stom wil wezen om dat vaartje te geloven, dan vraag jij me om geld voor je verdere plannen en voordat ik het weet, is de vereniging straatarm en heeft Janus de centen er doör gelapt. Weg jij, oplichter!' Toen stond Janus alweer als een weggejaagde hond voor de deur. Die lui van die vereniging konden eenvoudig niet geloven, dat iemand uit Londen naar hier zou komen... het speelt allemaal in september 1940 moet je weten. Enfin, die Janus is een doordouwer hoor, hij heeft nog vier of vijf van die bestuurders aangesproken, maar niemand geloofde hem.'
Ondanks de ernst van de zaak, moest Dirk toch lachen om dit zotte verloop.
'Het wordt nog veel zotter', zei Willem, 'die bestuurders gingen met elkaar praten over die gekke Janus, die hen wilde oplichten met zijn gefantaseerd verhaal. En toen zei een van die mensen: 'Zeg jongens, het kan best wezen, dat die Janus door de moffen wordt gestuurd. Als provocateur. Een vent die anderen aanzet tot misdrijf dus. Met de bedoeling ons te proberen. Gaan we op zijn kletspraatjes in, dan weten de moffen, dat we voor dit soort werk te vinden zijn. Met die Janus moeten we oppassen. Dat is een verrader.' Toen de heren eenmaal zo ver waren (ging Willem verder) werden ze steeds intelligenter. Een van hen zei: 'Ik weet wat. We zijn de moffen een slag voor. We bellen ze, dat er hier een vent is, die zegt uit Londen te komen. Dan zitten ze er naast met hun provocatie.'
178