'Jump!'
Voorzichtig verwijderde Dirk zich in het duister. Achter een bosje gelegen, wilde hij wachten totdat de dag zou aanbreken. Het was bitter koud. Toen het eindelijk wat lichter begon te worden, kon Dirk de omgeving wat beter bekijken. Niet ver van hem vandaan zag hij een omheining. Er liepen een paar schildwachten heen en weer.
'Asjeblieft', dacht Dirk, 'nu is Nederland zo groot en nou zet zo'n piloot me precies achter een Duits kamp neer. Een minuut eerder gesprongen, en ik zou midden in dat kamp terecht zijn gekomen.' Hij bewoog zich nu in de richting, die van het kamp afvoerde. Het was nog te schemerig om te proberen te zien waar hij heen liep. Het was dus een verrassing voor hem, toen hij zich plotseling bij een brede autoweg bevond. Hij besloot in zuidwestelijke richting langs die weg te lopen. Mocht er onraad dreigen, dan kon hij nog altijd in een van de bosjes verdwijnen. De ochtend was koud en nevelig en verkeer was er nauwelijks. Twee maal hoorde hij in de verte een auto aankomen. In het bosje verscholen zag hij, dat het legerauto's waren met Duitse soldaten er op. Eindelijk kwam hij bij een dorpje of stadje aan. Zo dicht mogelijk langs de huizen scharrelend, ging hij het stadje in. Ten slotte belandde hij bij het station.
NUNSPEET
las hij op een bord.
166