vraagd, van hen af. Ze praatten vrij uit. Dirk vertelde van zijn vader en moeder en van zijn vrienden en vriendinnen in Hilversum. Prof. Gerbrandy vertelde, dat hij langs een geheime weg een brief van zijn vrouw uit Nederland had gekregen. 'Ze noemen me daar de Walrus', zei hij.
'Ik begrijp niet waarom', zei dr. Kasteel. 'Maken de Duitsers het uw vrouw niet moeilijk?' vroeg Dirk. 'Als de mijnen lijden, lijden ze voor een goede zaak', zei prof. Gerbrandy ernstig. 'Ik bid elke ochtend; dat geeft mij kracht om vol te houden.'
Toen dr. Kasteel hen tegen twaalf uur een teken gaf, dat het gesprek moest eindigen, zei de minister-president:
'Heren, ik heb dr. Kasteel gevraagd twee boeken voor jullie te kopen, en in elk daarvan heb ik een kleine opdracht geschreven.' Weer op straat zei Dirk tegen Gerard:
'Als we dit later thuis vertellen zullen ze ons niet geloven, maar gelukkig hebben we die boeken met de handtekening van Snorremans erin.'
'Als je het mij vraagt', zei Gerard, 'had ik liever een medaille gehad. De Militaire Willemsorde of zoiets. Ik héb al een boek.' 'Krijgen we ook nog', zei Dirk, 'ieder een vetleren medaille.' 'Maar ze staan voorlopig nog in het vet', antwoordde Gerard ernstig.
161