mer van geboorte, maar hij was vóór mei 1940 journalist geweest; hij kende uiteraard veel persmensen.
'Ja, Excellentie', zei hij gekscherend, 'ik heb u altijd gezegd, voor lastige karweitjes moetje een journalist nemen.'
'Of een Fries', spotte prof. Gerbrandy terug, 'we hebben een kabinet waarin Friesland sterk vertegenwoordigd is, mr. van Kleffens, ir. Alberda en ik.'
Daarop kreeg het gesprek een ernstiger verloop. Er werd koffie gebracht. Eerst moesten de jongens van haver tot klaver vertellen wat ze hadden beleefd sinds ze uit Nederland waren weggegaan. Vervolgens liet de minister-president zich uitvoerig inlichten over het avontuur met Tade en Herr Jerry.
'Die mister Jerry', zei prof. Gerbrandy, 'was een gevaarlijk sujet. Maar de Engelsen hebben dat varkentje mooi gewassen. Ze hebben in Berlijn er geen flauwe notie van gehad, dat ze hier dat verraderlijke heerschap al jaren lang in de gaten hadden. Nu zit hij in de gevangenis in afwachting van de rest. De Engelsen zeggen, dat de Duitsers een dekselse toer zullen hebben een nieuwe contactman in Engeland te poten. De grenzen zijn potdicht, en reizen is erg moeilijk. Als zo'n verse roverhoofdman hier van begin af aan een nieuwe organisatie moet opbouwen... nou ik moet nog zien, dat het lukt. Elders in het land hebben ook arrestaties plaatsgevonden. Die Herr Jerry had thuis in een geheime kast een complete administratie, waarin hij alles aantekende, wat de Engelsen nu prachtig van pas komt. Echt Duits, en grondig hoor.'
Vervolgens liep het gesprek over andere onderwerpen. Dr. Kasteel vertelde hoe de Nederlanders in Oost en West de driekleur hoog hielden. Het medeleven in Suriname en in de Nederlandse Antillen, maar ook in Nederlands Indië was voortreffelijk. 'Het is geen kleine post aan de goede kant van de balans', zei de minister-president, 'dat zulke enorme gebieden van het Koninkrijk vrij zijn. Dat geeft onze regering een fikse steun, wanneer ze met andere regeringen moet onderhandelen over de duizenderlei dingen, die nu eenmaal aan de orde zijn. We hebben grondgebied. We hebben onze koopvaardijvloot, en belangrijke delen van onze marine; en nu zijn we bezig weer eenheden van het Nederlandse leger op te bouwen. Nederland zal herrijzen. Als straks het uur der bevrijding slaat, zullen onze jongens zij aan zij met de bondgenoten vechten voor de vrijheid van het vaderland.'
Geruime tijd bleven ze in de grote hotelkamer zitten praten. Gaandeweg zakte alle bedremmeldheid, die de jongens aanvankelijk hadden gevoeld, toen ze bij een zo hoog personage op de koffie waren ge
160