die vent rustig zitten. Er wordt een ploegje mannen aangewezen om hem voortdurend in de gaten te houden. Zo leren we ook de andere spionnen kennen. Een spion, die je in de gaten hebt, kan niet zoveel kwaad doen als een, waarvan je het bestaan niet kent.' 'Da's slim bekeken', zei Dirk.
'De Engelsen zijn niet zo onnozel als ze zich wel eens voordoen', zei de Kreeft, 'Herr Jerry, zoals ze hem gingen noemen, werd gevolgd, maar nooit gehinderd. Af en toe werden één van zijn spionnen in de kraag gepakt, maar dat werd altijd zó gedaan, dat Herr Jerry de overtuiging moest krijgen, dat de spion een domme streek had begaan die het wantrouwen der Engelsen had gewekt. Hij zelf waande zich volstrekt veilig. Dat kunstje met de witte speld en de telefooncel heeft hij talloze malen uitgehaald. Trouwens toen Tade op het Piccadilly Station op Herr Jerry wachtte, stonden er ook een paar Britse mannen van de contra-spionage. Die hebben Dirk en Gerard ook gezien; ze rapporteerden, dat twee jonge Nederlanders op Tade en Herr Jerry hadden gelet. Ze hadden ook gezien, dat Dirk Herr Jerry achterna was gegaan naar dat huis in Soho, waarvan ze het bestaan en het doel trouwens reeds kenden. Herr Jerry zorgde er voor, dat de Duitse spionnen hem nooit in zijn werkelijke gedaante zagen. Nu eens was hij een oud heertje, dan weer een sportief type. De man moet een goed toneelspeler zijn.' 'En waar is hij nu?' vroeg Dirk.
'Ook opgeborgen', zei de Kreeft, 'de Engelsen vonden, dat het nu welletjes was. Misschien vonden ze het ook niet leuk, dat wij Nederlanders achter het spelletje zijn gekomen. Dat kan immers alleen maar blijven slagen bij volstrekte geheimhouding. Ze dachten, veilig is veilig, pik die vent nu maar in. Hij zit in de gevangenis. Wat er met hem gaat gebeuren? Wat de wet voorschrijft, dat met spionnen in oorlogstijd gebeuren moet.'
Dirk en Gerard hadden de boodschap gekregen, dat ze 's morgens om elf uur in het Brown's Hotel moesten komen. Daar woonde prof. Gerbrandy, die inmiddels minister-president was geworden. Hij wilde graag eens met hen spreken.
'Mag ik beginnen', zei de voorzitter van de ministerraad tegen hen, 'de voldoening van de regering uit te spreken over de voorbeeldige wijze waarop jullie een uiterst delicate en moeilijke opdracht hebt vervuld.'
Bij het gesprek was ook de secretaris van prof. Gerbrandy aanwezig, dr. P. Kasteel, een levendige man, met wie in het bijzonder Gerard dadelijk contact had. Niet alleen was dr. Kasteel ook Amsterdam
159