richten. Tenminste dat vertelt hij. Tade, die ondanks zijn onschuldige blauwe ogen een fielt is van het zuiverste water, had daar onmiddellijk oren naar. In elk geval, de Duitser vertelde hem toen een verhaal dat hierop neerkomt. Er werken in Nederland een paar verspreide ondergrondse groepen, die door één centrale man worden geleid, die Willem wordt genoemd. Wie die man is, weten de moffen niet, maar wél weten ze, dat hij behoort tot één van de clubs, die de naai-krans van Lijsje Lorresnor wordt genoemd. Ze veronderstellen, dat er contacten tussen één of meer van die ploegen, en met Londen bestaan. Ze denken dat die contacten beter zijn dan in werkelijkheid het geval is. In elk geval, met de naam van de zogenaamde naaikrans als introductie moest Tade naar Londen gaan. Hij moest opdracht zien te krijgen weer naar Nederland terug te keren met de bedoeling daar, maar nu in opdracht van Londen, meer verband te brengen in die verspreid werkende illegale groepen. Gewoon verraad dus. Op die manier menen de Duitsers van begin af aan de schrik er in te brengen, teneinde verdere uitbreiding van de illegaliteit te voorkomen.' Dirk en Gerard luisterden ademloos. Die Tade moet wel een doorgewinterde booswicht zijn, dachten ze om zo'n oneervolle opdracht te aanvaarden. De Kreeft vertelde verder:
'Tade wist in Nederland in contact te komen met mensen, volkomen betrouwbare vaderlanders, die naar Engeland wilden. Hij heeft mij bij het verhoor verteld, dat heel veel landgenoten de wijk zouden willen nemen. Samen hebben ze de motorboot bekostigd. De Duitsers waren gewaarschuwd, wanneer en hoe laat ze de Waterweg zouden afvaren, zodat er hoegenaamd geen overlast van de schildwachten te vrezen was. Dat vlotte verloop van de vlucht was (zei de Kreeft) de kardinale fout, die ze maakten, want daardoor kreeg ik van begin af aan argwaan. In elk geval, ze kwamen behouden en wel in Engeland aan, en de rest weten jullie.'
'Maar ik weet nog niet hoe meneer X met hem in contact is gekomen', zei Gerard, die evenals Dirk, scherp en met spanning zat te luisteren.
'Dat is veel eenvoudiger in zijn werk gegaan dan ik dacht', zei de Kreeft. 'Tade had de opdracht te beginnen vijftien dagen na zijn aankomst elke woensdagavond om negen uur op het Piccadilly Station te zijn. Mocht hij verhinderd zijn dan de twintigste, daarna op de vijfentwintigste dag enzovoort. Hij kende X helemaal niet, en X wist ook niet hoe Tade er uit zag. Het herkenningsteken zou zijn een witte speld op de revers. Maar alleen als de speld precies in het hoekje van de insnijding van de revers zat, was de kust veilig. Zat de speld
157