niet ontdekken, maar wel noteerde hij de nummers van de huizen in de andere straat, waar het zijstraatje begon, en de naam van die straat was in het halve duister nog wel te lezen. 'In elk geval weten we nu waar de vos zijn hol heeft', dacht Dirk. Vlug liep hij naar het station van de ondergrondse terug. Het was bij half elf toen hij het pension van mevrouw Liebermann bereikte. In de conversatiezaal zaten Gerard en Tade in hun overhemd een partijtje dam te spelen. Gerard gaf Dirk een onmerkbaar knipoogje. 'Waar kom jij vandaan?' vroeg hij.
'Ik ging een luchtje scheppen, en toen ben ik een paar kennissen tegengekomen. Met die heb ik een tijdje zitten kletsen in een van de cafeetjes verderop.'
'Je kunt me een plezier doen', zei Gerard. 'Zeg het maar', zei Dirk.
'Kun jij dit partijtje van me overnemen? Ik sterf gewoonweg van de hoofdpijn, en ik heb Tade beloofd hem revanche te zullen geven. Hij heeft al twee partijen verloren, en één gewonnen. Dit is de laatste revanchepartij. Vind je het goed Tade?' Die bromde iets, dat op instemming moest lijken. 'Prachtig', zei Gerard, 'jij bent aan zet Tade.' 'Ga jij dan al naar bed?' vroeg Dirk.
'Nee', zei Gerard, 'ik blijf er wel bijzitten. Maar ik ga wel even naar boven een hoofdpijnpilletje halen.'
Hij verwijderde zich, en kwam enkele minuten later terug met een wit tabletje en een glas water in de hand.
153