'Veel erger', zei Gerard, 'de hele buitenlandse pers is er van overtuigd, dat dit land propvol zit met Duitse spionnen. En de hele beroemde Engelse Secret Service kan er niet eentje ontdekken al was hij zo groot als een olifant.'
Dat antwoord scheen Tade van de Bosdrift een groot genoegen te doen. Hij lachte luid en lang.
Toen ze later met hun drietjes aan tafel zaten, zei Gerard niet veel. Dirk praatte honderd uit. Tade gaf blijken er van, dat hij zich meer tot de vriendelijke Dirk dan tot de stuurse Gerard aangetrokken gevoelde.
'Zo moeten we het hebben', zei Gerard later tegen Dirk. Een week ongeveer zat Tade van de Bosdrift in het pension van mevrouw Liebermann; en Dirk en Gerard gaven hun ogen goed de kost, maar tot dusver hadden ze nog niets kunnen opmerken, dat hun wantrouwen werkelijk grond gaf. Het wantrouwen was er wel degelijk. Niet alleen doordat de Kreeft hun had verteld hoe de tocht van de groep Engelandvaarders, waarbij Tade zich had aangesloten, was verlopen. Die was veel te vlot gegaan. Maar nu ze dagen achtereen de starende blauwe kwasi-onschuldige oogopslag van Tade tegenover zich hadden gehad, begonnen ze trekken in zijn gezicht op te merken, die hun eerst niet waren opgevallen. Als hij meende onbespied te zijn, zakte zijn gezicht als het ware weg. Dan kreeg hij iets schichtigs, iets loerends in zijn blik. Op een dag zei Dirk tegen Gerard:
147