haal het nieuws op bij de regering en ik vent het uit bij de buiten landse pers.'
'Lijkt me reuze interessant', zei Tade, 'zo weet je alles uit de eerste hand. Wat denk je zelf nou bijvoorbeeld over de stand van de oorlog?' 'Daar moetje niet over denken. Dat moetje gewoon op zijn beloop laten.'
'Denk je dat Engeland sterker is dan Duitsland?' 'Weet ik niet, en dat komt er geen sikkepit op aan. Het is niet zo in een oorlog, dat de sterkste altijd wint. Degeen, die de meeste stommiteiten begaat, verliest. Daarom denk ik, dat de Nazi's ook deze keer wel weer het loodje zullen leggen. Die maken de mooiste plannen, en die mislukken dan meestal ook nog. De Britten modderen maar zo'n beetje aan. Ze verliezen alle veldslagen, maar ze winnen alle oorlogen.'
Tade gaf het op verder met Gerard te praten. Die vent was niet serieus te nemen. Hij richtte zijn blauwe ogen op Dirk. 'Wat doe jij voor de kost?'
'Ik? Ik ben ambtenaar op weekloon bij Harer Majesteits regering', zei Dirk deftig, 'maar rijk kun je in die betrekking niet worden hoor.' 'Wat voor werk doe je?'
'Hij is chef-boekhouder van de postzegelkas, is het nou goed?' interrumpeerde Gerard brommerig.
'Nou helemaal waar is het niet', zei Dirk, 'maar een grote baan heb ik niet. Ik zweef zo'n beetje overal tussen in. Manusje van alles en nog wat.'
'Weten ze nou bij de regering wat er eigenlijk precies in Nederland te
doen is?' vroeg Tade. Dirk had één seconde het gevoel, dat die kwa-
si-onschuldige blauwe ogen iets loerends kregen.
'Ze weten geen snars', zei Gerard, 'anders zou ik het ook moeten
weten.'
'Nou, zo erg is het ook weer niet', suste Dirk, 'maar er zijn natuurlijk een hele massa bijzonderheden, die hier niet bekend zijn. Daarom worden jullie Engelandvaarders tot op het hemd uitgevraagd.' 'Oh', zei Tade langzaam en aarzelend, 'ik dacht eigenlijk, dat die ondervraging voornamelijk diende om er achter te komen of de Engelandvaarders wel te vertrouwen zijn. Spionnen en zo?' 'Maak me niet aan het lachen, ik heb een barstje in mijn lip', grinnikte Gerard, 'je hebt nog altijd een veel te mooie voorstelling van de Engelse geheime dienst. Die is niet eens in staat Hitier zelf te herkennen als die zich morgen met een bootje aan de kant laat zetten.' 'O ja', vroeg Tade, 'meen je dat werkelijk? Zijn dat inderdaad zulke sukkels, als ik wel eens heb horen verluiden?'
146