baas, of je bent uitje flatje gebombardeerd of zoiets... en nou komen jullie weer tijdelijk bij Frau Liebermann wonen. Jullie papt met die Tade aan, en probeert er achter te komen wat hij in zijn schild voert. Akkoord?'
'Natuurlijk', zei Dirk geestdriftig, 'zo kan ik hier belangrijk werk doen voor de club in Nederland. Weet Gerard het al?' 'Nee, nog niet. Ik wilde het eerst met jou bespreken. Die Gerard mag dan een beetje flapuit zijn, hij is een goede opmerker, en jij hebt een soort jachthonden-instinct. Samen moeten jullie er achter zien te komen, en als meneer Tade arriveert merken jullie het wel.'
Tade van de Bosdrift bleek een klein mannetje te zijn, nogal gezet en met een rond gezicht. Zijn ogen vielen iedereen onmiddellijk op. Ze waren viooltjes-blauw en groot en glanzend. Hij had de gewoonte wanneer hij met iemand sprak, de toegesprokene onafgebroken met die blauwe ogen aan te staren. Alsof hij voortdurend wilde duidelijk maken: zie je wel hoe eerlijk ik uit mijn ogen kijk. Dirk en Gerard begroette hij met de uitbundigheid van een zeeman, die veertig jaar op een onbewoond eiland zit en plotseling zijn bloed-eigen vader op het strand tegenkomt. Hij praatte honderd uit, en onderwijl rustte die starende blauwe blik dan eens op de een dan weer op de ander. 'Kan ik in de eetzaal bij jullie aan tafel zitten?' vroeg hij. 'Wat ons betreft wel', zei Gerard, 'maar de vraag is of mevrouw Liebermann het goed vindt. Die eetzaal is maar een klein gedoetje.' Dat antwoord was in overeenstemming met de gedragslijn, die de jongens hadden afgesproken. Dirk zou de vriendelijke meneer spelen, die gezelschap zoekt en altijd vrienden wil maken, terwijl Gerard de houding zou aannemen van een stuurs mens, die het liefst in zijn eentje chagrijnig zit te doen.
'Och', zei Dirk, 'ik denk, dat het wel zal gaan. Met mevrouw Liebermann is te praten, en met de grootte van de eetzaal loopt het ook wel los. Het is toch leuk als je met drie Nederlanders in zo'n pension bent, dat je bij elkaar gaat zitten. Eigen is eigen en vreemd is maar vreemd.'
Gerard bromde iets onverstaanbaars. Tade keek hem een beetje gramstorig aan. Het was duidelijk, dat hij hem een onaangenaam mannetje vond. Kennelijk met de bedoeling Gerard een beetje milder te stemmen, ging hij, met de blauwe ogen hem recht in het gezicht starend, vragen stellen over zijn werkkring. 'Ik hoor, dat je journalist bent', zei Tade.
'Er wordt zoveel gelasterd', gromde Gerard, 'maar je moet niet alles geloven wat ze zeggen. Journalist? Zegt u maar nieuwsboer. Ik
145