moet in de tijd, dat ik nog een torpedojager op convooien moest passen. Veertig, soms wel tachtig schepen van allerlei naties bij elkaar, en wij er om heen, als een stel waakse herdershonden. Steeds maar full speed varend, en op de Asdic luisteren naar onderzeeërs. Er zijn wel landen, waar je altijd moeilijkheden mee hebt, maar met Nederlandse zeelui... nooit. Die schijnen bij instinct te snappen wat er in moeilijke omstandigheden van hen wordt verwacht.' Dirk en Gerard vonden het mooi, dat zo lovend over hun landgenoten werd gesproken. Asjeblieft, Nederland mocht dan bezet zijn, maar het rood, wit en blauw woei nog vrij op de wereldzeeën. De Nederlandse zeeman hield de vlag hoog. Simon had kennelijk behoefte om te praten.
'Ik mag geen militaire geheimen verklappen', zei hij, 'maar tegenwoordig doe ik geen convooiwerk weer. Ik heb het bevel over een speedboot. Klein, maar een hardloper. Als dat ding op volle kracht vaart, gaan we harder dan een spoortrein. Speciale opdrachten, meer mag ik niet vertellen,' zei hij met een knipoog.
De jongens knikten, maar vroegen niets. Wat hadden ze trouwens kunnen vragen? Simon mocht immers niets vertellen. Maar Simon kon niet zwijgen. Hij ging verder:
'Ik heb een tijdje geleden nog een landgenoot van jullie aan boord
gehad. Speciale opdracht. Die moest ergens heen gebracht worden.'
'Janus Droesem', dacht Dirk, maar hij zei niets.
'Een flinke vent', zei Simon, 'maar wel een beetje zenuwachtig, geen
wonder als je wist wat hem te wachten stond.'
Om het gesprek op een ander onderwerp te brengen, vroeg Dirk:
'Waarom ben je eigenlijk uit de convooidienst gehaald en voor dit
speciale werk aangewezen?'
'Oh, zoiets weet je nooit', zei John, die vol bewondering naar zijn flinke broer zat te luisteren.
'Waarom ze mij hebben genomen, weet ik niet', zei Simon, 'maar ik weet wel waarom ze die knaap, die voor mij het bevel over de speedboot voerde, een schop met muziek onder zijn achterwerk hebben gegeven. Moet jullie luisteren. Die vent had opdracht, ergens in de wereld, een speciaal karweitje op te knappen. Met die speedboot. Er was hem gezegd: wat er gebeurt, je hebt maar één ding te doen: je karweitje, en dat doe je, en voor de rest doe je niets. Het was een mistige donkere nacht, toen hij uitvoer. Hij deed zijn karweitje, heel secuur en heel rustig, en voer weer naar de thuishaven. Opeens komt hij op een stuk zee, waar de mist was opgetrokken en vlak voor hem ziet hij drie Duitse schepen varen. Hij bedenkt zich geen seconde, hij brengt zijn speedboot in positie, en béng, één ervan jaagt hij met een
136